Dossier gehechtheid – deel 1

Als therapeut en als individu kom ik dagelijks in aanraking met de effecten van vroegkinderlijke gehechtheid. Hoe wij gehecht waren aan onze ouders, bepaalt immers voor een groot deel hoe wij vandaag de dag in relatie staan met onszelf en anderen. Het ligt onder andere (mede) aan de basis van ons zelfbeeld, het vertrouwen dat we in anderen hebben, hoe vaak we op hen beroep zullen doen, hoeveel afstand en nabijheid we vragen, hoe goed we zijn in het snappen van onze binnenwereld en in het omgaan met onze eigen emoties enzovoorts. Je snapt het al: een goede of ook wel ‘veilige’ gehechtheid is enorm belangrijk! Wanneer de gehechtheid niet goed zit, kan dit verwoestende effecten hebben op iemands mentale en zelfs fysieke gezondheid. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat een veilige gehechtheid een garantie geeft op een gelukkig en gezond leven. Het geeft je echter wel een serieuze voorsprong en weerbaarheid mee voor als er gaandeweg toch problemen opduiken. Vandaar dus dit dossier over gehechtheid, om ouders van kinderen voor te lichten over het belang hiervan en om je als kind van je eigen ouders wat meer inzicht te geven in eventuele typische klachten en reactiepatronen van je.

We beginnen eerst met een korte uitleg over gehechtheid. Bowlby (1969) omschrijft gehechtheid als een duurzame emotionele band die het kind opbouwt met zijn verzorger, meestal de ouders, op basis van opgedane ervaringen met die persoon. Hij noemt hechting één van onze oerinstincten, net zoals voeding en voortplanting. De evolutie heeft er door de installatie van bepaalde hersenstructuren en hormonen (oa. oxytocine, ook wel het knuffelhormoon genoemd) voor gezorgd dat het onmogelijk is om ons niet te hechten. Dit komt omdat wij als baby voor onze overleving volledig afhankelijk zijn van onze verzorgers. In tegenstelling tot andere diersoorten kunnen wij ons na de geboorte nog niet zelfstandig voortbewegen of voor eigen voedsel zorgen. Het hechtingssysteem zorgt er in deze precaire omstandigheden voor dat we instinctief en reflexmatig de aandacht van onze verzorgers trekken en hun nabijheid en bescherming zoeken om zo te kunnen overleven. Dit doen we door als baby te huilen, brabbelen, lachen, kraaien, … en zo contact te zoeken met onze omgeving.

In het algemeen zijn er vier mogelijke types van gehechtheid. In het beste geval hecht je je als baby aan verzorgers die sensitief, beschikbaar, veilig en voorspelbaar zijn. In dat geval spreken we van een veilige gehechtheid (Ainsworth, 1978). Je hebt verzorgers die zijn afgestemd op je behoeften, je accepteren in plaats van afwijzen, samenwerken in plaats van domineren en emotioneel beschikbaar zijn in plaats van afstandelijk. Hierdoor krijgt het kind zowel vertrouwen in zichzelf (‘blijkbaar ben ik geliefd en competent’) als in de anderen om hem heen (‘blijkbaar ben jij een bron van troost, opluchting en plezier’). Het leert dan ook om zijn gevoelens en behoeften rechtstreeks te communiceren en voelt zich veilig genoeg om de wereld om hem heen te verkennen. Bij problemen of gevaar heeft het immers een betrouwbare veilige haven om naar terug te keren. Zo’n 60 tot 70% van de kinderen is veilig gehecht (Richtlijn Problematische gehechtheid, 2017). Hun verzorgers zijn consequent sensitief én responsief: ze reageren (doorgaans) op een op het kind afgestemde manier.

Het kan echter ook anders lopen. Soms zijn verzorgers niet responsief of afgestemd op het kind en dan ontstaat er een onveilige gehechtheid. In een volgend artikel zullen we het overigens nog hebben over dat er ook andere dan opvoedingsfactoren mee kunnen spelen in het ontstaan van een bepaald type hechting en dat het dus niet enkel en alleen op de rekening van de ouders geschreven kan worden…

Maar goed, onveilige gehechtheid dus! Sommige kinderen groeien op bij verzorgers die om welke reden dan ook (emotioneel) niet beschikbaar zijn. Ze zijn niet op hun gemak bij lichamelijk contact, negeren het kind vaak en wijzen het af of zijn geïrriteerd, opdringerig en controlerend wanneer het hen nodig heeft. Deze verzorgers minimaliseren typisch ook het belang en de invloed van gehechtheid, meestal vanuit hun eigen emotioneel verwaarlozende opvoeding die ze vaak rechtvaardigen (bijvoorbeeld: ‘het was een harde maar goede leerschool die mij zelfstandigheid gebracht heeft’). Het kind leert in deze omstandigheden dat zijn op troost en zorg gerichte toenaderingspogingen steevast op niets of toch niets positiefs uitdraaien en wordt vermijdend gehecht: om de levensnoodzakelijke hechting met zijn verzorgers in stand te kunnen houden gaat het de eigen gehechtheidsbehoeften onderdrukken. Zo frustreert het zijn verzorgers niet (en loopt hij niet het risico op afwijzing) en frustreert het ook zichzelf niet. Deze kinderen geven dus geen uitdrukking (meer) aan hun behoefte aan nabijheid en lijken ongevoelig voor tekenen van affectie (Ainsworth, 1978). Ze houden doorgaans afstand van sociale contacten, doppen hun eigen boontjes en lijken in zijn geheel niet gehecht. Zo’n 10% van de kinderen is vermijdend gehecht (Richtlijn Problematische gehechtheid, 2017).

Ainsworth (1978) ontdekte nog een tweede type onveilige gehechtheid, die specifiek optreedt wanneer verzorgers onvoorspelbaar beschikbaar zijn. De ene keer reageren ze wel en zijn ze sensitief voor de signalen van hun kind en de andere keer zijn ze er niet of reageren ze erg afwijzend en opdringerig. Dit in tegenstelling tot de vermijdende kinderen, die altijd wisten waar ze aan toe waren (namelijk niets of toch niets positiefs). Omdat de kans er bij deze kinderen wél in zit dat ze krijgen wat ze nodig hebben, is het voor hen de beste strategie om de druk op hun verzorgers te verhogen en ‘te blijven proberen’. We zien dan ook dat het gehechtheidsgedrag van deze kinderen de pan uit swingt en dat ze erg aanklampend kunnen zijn. Toch zijn deze kinderen tegelijkertijd ook vaak moeilijk te troosten door hun verzorgers en kunnen ze erg boos en afwerend reageren, wellicht juist omdat ze er toch niet helemaal op vertrouwen en het niet echt veilig voelt. Hierdoor geven ze een eerder tegenstrijdige indruk. Dit gehechtheidsgedrag dat we ambivalente gehechtheid noemen, blijkt daarnaast ook vaker op te treden bij kinderen van overbezorgde ouders, die de autonomie van hun kind subtiel of openlijk afremmen, mogelijks vanuit eigen gevoelens van verlatingsangst en hulpeloosheid. Het komt voor bij zo’n 15% van de kinderen en toont zich vooral in hun onzekerheid en angstigheid in contact (Richtlijn Problematische gehechtheid, 2017).

Tot slot onderscheidde Main (1990) later nog een derde type van onveilige hechting bij kinderen en noemde dit de gedesorganiseerde gehechtheid. Dit is het geval wanneer het kind opgroeit bij verzorgers die zowel een bron van overleving als een bron van angst en gevaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan geweld, mishandeling, seksueel misbruik, maar ook andere gedragingen die het kind beangstigen of doen schrikken zoals bijvoorbeeld angstige, woedende of gedissocieerde reacties. Vaak is er bij deze verzorgers sprake van eigen (onbewust) onverwerkt trauma of verlies, dat doorgaans verdrongen wordt maar zo nu en dan toch plots doorbreekt naar aanleiding van bepaalde triggers (bijvoorbeeld het gehuil of de driftbui van het kind dat hen er aan doet denken). Op zo’n moment komt het kind klem te zitten tussen de biologische noodzaak om zich enerzijds te hechten maar zich anderzijds ook te beschermen voor zijn verzorger: er is geen oplossing, noch ontsnappen mogelijk. Bij deze kinderen zit er, in tegenstelling tot de hierboven beschreven patronen, dan ook geen organisatie in hun gehechtheidsstrategie. Geen enkele strategie is echt adaptief, waardoor ze heen en weer pendelen tussen gedeactiveerd (zoals de vermijdende kinderen) en hyperactief (zoals de ambivalente kinderen) gehechtheidsgedrag. Dit is het geval voor zo’n 15% van alle kinderen (Richtlijn Problematische gehechtheid, 2017).

Ondanks dat deze onderzoeken en bevindingen al vele jaren oud zijn, worden ze keer op keer gerepliceerd en staan ze ook vandaag nog als een paal boven water. Ze komen onder meer naar voor uit onderzoeken zoals de ‘Strange Situation’, ontwikkeld om het hechtings- en exploratiegedrag van kinderen in kaart te brengen (Ainswort, 1978). In dit onderzoek worden moeders en hun kind samengebracht in een vreemde ruimte met veel speelgoed en een onbekende volwassene. Na een korte tijd wordt de moeder opgedragen om de ruimte te verlaten en het kind alleen achter te laten bij de onbekende, die nadien ook vertrekt. De onderzoekers kijken hierbij specifiek naar het gedrag en de emoties van het kind in de aanwezigheid en afwezigheid alsook bij de hereniging met de moeder. Vooral dit laatste (de reacties van het kind op de hereniging) blijkt van onderscheidend belang voor het classificeren van gehechtheidstypes.

Ze zien dat veilig gehechte kinderen vrij durven spelen en exploreren in deze vreemde situatie en dat ze in aanwezigheid van de moeder ook contact durven zoeken met de vreemde. En hoewel ze erg verdrietig en angstig (kunnen) reageren op de separatie met de moeder, zijn ze ook onmiddellijk terug gerust te stellen door haar, waarna ze het spelen opnieuw hervatten.
Vermijdend gehechte kinderen zie je onophoudelijk spelen en exploreren. Ze lijken onverschillig voor de aanwezigheid, het vertrek en de hereniging met hun moeder en lijken het contact zelfs te vermijden. Desalniettemin blijkt hun hartslag en cortisolniveau (cortisol is het belangrijkste stresshormoon) even hoog of zelfs nog hoger dan dat van de veilig gehechte kinderen! Hun ogenschijnlijke rust en kalmte is dus slechts schijn en het bewijs dat hun gehechtheidsgedrag alsook het uiten van hun emoties actief wordt onderdrukt. Naar vreemden toe zoeken ze wel toenadering.
De ambivalent gehechte kinderen komen daarentegen niet of amper tot (autonoom) spelen. Ze zijn vrij passief en afwachtend en zoeken voortdurend de nabijheid van hun moeder. Bij scheiding ontstaat er een sterke stressrespons en ook bij hereniging blijven ze ontregeld en boos. De toenaderingspogingen van de moeder halen bij hen weinig uit of worden afgewezen. Bij hen zie je (vaak in tegenstelling tot de vermijdende kinderen) dus zeer veel uiting van emoties. Naar vreemden toe zijn de ambivalente kinderen eerder angstig en vermijdend.
Bij gedesorganiseerde kinderen zien we abnormaal, tegenstrijdig of chaotisch gedrag in de aanwezigheid van en hereniging met de moeder. Ze vertonen een combinatie van verschillende strategieën en kunnen bijvoorbeeld extreem angstig en controlerend gedrag laten zien, om dan plots om te slaan naar vermijding. Het kind kruipt bijvoorbeeld naar de moeder maar bedenkt zich vervolgens en verstijft ter plekke, of het zoekt nabijheid bij vreemden en begint daarentegen te huilen als moeder terug binnenkomt. Het lijkt alsof de aanwezigheid van de moeder de stress bij het kind eerder verhoogt dan verlaagt.

Benieuwd hoe er dit in de praktijk uit ziet? In dit clipje krijg je een goede indruk van een veilige, vermijdende en ambivalente gehechtheid tijdens de Strange Situation (procedure zonder de vreemde volwassenene).

In de volgende artikels van dit dossier zullen we nog wat dieper ingaan op het ontstaan van gehechtheid als proces en de langetermijneffecten van vroegkinderlijke hechting op psychologisch en relationeel gebied.

Welkom!

Navigeer door onze blog door een categorie of tag te selecteren voor alle bijhorende artikelen of geef een zoekterm op! Have fun 🙂

Categorieën

Tags

Meest recente berichten

Archief

2019-01-05T16:34:13+00:00